University of Hope #8: Regio en rijk in gesprek over toekomst Friese veenweidegebied


13/11/2018

Levendige discussie over vitaal veenweidegebied

Dat er wat moet veranderen in het Friese veenweidegebied, daar waren alle aanwezigen het wel over eens. Maar hoe? Daarover bleek nog veel onzekerheid en verschilden de meningen. Op dinsdag 13 november vond de tweede bijeenkomst plaats van Places of Hope over de toekomst van de veenweide.

Bijzonder was dat zowel overheden (rijk, provincie, waterschap), als wetenschap, natuurorganisaties, ANWB, FrieslandCampina en Friese boeren in het atrium van Places of Hope bij elkaar zaten om het over deze netelige kwestie te hebben. 

Ondanks de verschillende belangen was het een constructief gesprek. Of, zoals Hetty Jansen, lid van de Provinciale Staten Friesland, het op Twitter verwoordde: “Eindelijk een dialoog waar, wetenschap, overheden, natuurorganisaties en boeren met elkaar in gesprek gaan.”

 

In 2100 geen veen meer over

Als eerste werden de uitkomsten van het onderzoeksatelier – gebundeld in de publicatie Weerbaarder, guller en attractiever. Naar een nieuwe aanpak voor het veen in het Lage Midden van Fryslân –voor een tweede keer door landschapsarchitect Peter de Ruyter toegelicht. “Als we niks doen is er in 2100 geen veen meer over.”

De problemen met veengrond zijn meervoudig: door intensief landbouwgebruik en lage grondwaterstanden daalt de bodem, het veen oxideert wat tot een hoge CO2-uitstoot leidt, en het grondwater verzilt. 

Het Places of Hope-atelier draagt op basis van onderzoek, doorrekeningen en gesprekken met boeren een pakket van oplossingen aan. Dat pakket verzacht niet alleen de huidige problemen, maar houdt ook rekening met de noodzakelijke verduurzaming van landbouw, met klimaatverandering, een nieuw robuust watersysteem, en stelt zichzelf de vraag: in wat voor (veen-)landschap willen we in 2050 wonen, werken en recreëren? 

 

Minder dromen meer daden

Daarin verschillen de aanbevelingen van Places of Hope van de huidige Veenweidevisie (2015) van de provincie Friesland, die onder meer pleit voor het verhogen van het slootwaterpeil. Het verschilt ook van het tegenplan van zeven landbouworganisaties – Mei beide fuotten op ‘e feangrûn – dat dezelfde ochtend door Bouwe Bakker van LTO Noord wordt toegelicht. “Het water staat ons niet aan de lippen, ons landschap is ons lief en de koe in de wei ook”, aldus Bakker. 

Het landbouwersplan pleit voor minder dromen, minder dadendrang, en meer onderzoek. De landbouworganisaties zoeken hun heil in onderwaterdrainage als oplossing voor bodemdaling en oxidatie, en pleiten voor minder fixatie op CO2, en juist ook beperking van de broeikasgassen lachgas en methaan. 

Hun plan gaat uit van behoud van de huidige manier van boeren op veen, en kijkt niet naar klimaatverandering, biodiversiteit, landschapskwaliteit of andere gebruikers van het veenweidegebied (bewoners, recreanten).

 

Vergeet de boeren niet

Het Places of Hope-atelier heeft voor vier verschillende type boerenbedrijven nieuwe verdienmodellen berekend door uit te gaan van nattere teelt en gecombineerde kringloopbedrijven. De aanwezige boeren vonden daar nog een hoop aannames en onzekerheden in zitten. 

Volgens boer Jaap Formsma is de basishouding van de ongeveer dertig boeren uit zijn gebied de Groote Veenpolder dat ze openstaan voor verandering. Maar, waarschuwt hij: “Vergeet niet met die mensen in gesprek te gaan en te vragen wat hun ideeën over de toekomst zijn. Doe het samen.” Hij pleit ook voor een nuchtere aanpak: “Ga met bewezen oplossingen aan de slag en niet met aannames, doe een nulmeting van ons gebied, bied financiële middelen voor uitvoering, bied compensatie bij omvorming van ons bedrijf.”

 

Nieuwe gereedschapskist nodig

Net als in de Groote Veenpolder zijn de boeren in het gebied Aldeboarn / De Delen als pilotgebied voortvarend aan de slag gegaan met de provinciale Veenweidevisie. Projectmanager Lenneke Büller prijst het Places of Hope-onderzoek en de aanbevelingen omdat ze, in tegenstelling tot de Veenweidevisie, ook verduurzaming en biodiversiteit in ogenschouw nemen. “Zo’n vergezicht is nodig, het prikkelt”, zegt ze, “maar de gereedschapskist om tot dat vergezicht te komen ontbreekt nog.”

“De boeren voelen nog niet dat overheid hun situatie begrijpt, ziet wat deze transitie impliceert en bereid is om noodzakelijke randvoorwaarden te scheppen. De overheid moet een duidelijke missie uitzetten, daarvoor de voorwaarden scheppen en definiëren,” zegt Büller. Als benodigde instrumenten noemt ze een gebiedsfonds, een grondbank en ruimte in de mestwetgeving.

 

Rijk en regio bij elkaar brengen

Na deze twee verhalen uit de praktijk licht Wieke Tas de Landbouwvisie van minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toe. De minister pleit onder andere voor kringlooplandbouw, een beter verdienmodel voor boeren en meer waardering vanuit de consument. 

Hoe breng je die visie van het Rijk en de ervaringen uit de regio bij elkaar? Wat heeft het Rijk van de regio nodig en vice versa? Dat is de vraag waarmee deze tweede bijeenkomst over de veenweide wordt afgesloten. De ongeveer negentig aanwezigen breken op in kleine groepjes om hier advies over te geven. Het Rijk moet vooral aan duidelijk kader scheppen, zo blijkt. Een langetermijndoel dat niet tussentijds veranderd, met duidelijke budgetten om daar naar toe te werken. 

Wat de Friese regio het Rijk te bieden heeft is een veenweidegbied dat natuurinclusief is, en een mooier en diverser landschap waar je prettiger in kunt recreëren en wonen. “Wij kunnen in Friesland goed samenwerken, wij hebben mienskip hoog in het vaandel. Dat verhaal mogen we wel wat trotser vertellen,” zegt Hans van der Werf, directeur van de Friese Milieufederatie.

 

Daarmee wordt de bijeenkomst afgesloten, maar de dialoog over de toekomst van het veenweidegebied gaat voort. Sietse Bakker blijft namens de provincie Friesland en het Wetterskip Fryslân het gesprek organiseren. “Ik proef een enorme betrokkenheid, maar er zijn heel veel dingen die we nog niet weten. We hebben behoefte aan landelijk onderzoek. En de behoefte om in de regio in gesprek met elkaar te blijven.”

 


nl
en