University of Hope #7: Visie op verstedelijking


05/11/2018

Hoe ziet de Wijk van de Toekomst eruit? Hoe maken we die niet alleen energieneutraal, maar ook mooier, gezonder en leefbaarder? Die vragen kwamen al aan bod tijdens de vijfde aflevering van de University of Hope. De zevende editie, op 5 november 2018, was het vervolg. Welke visie hebben we nodig? Wat is de benodigde strategie? En wie heeft welke rol: wat doet het Rijk, en wat doen lagere overheden?

De kaarten die Robert Dijksterhuis, afdelingshoofd Ruimtelijk Beleid bij het Ministerie van BZK laat zien, maken het vraagstuk van verstedelijking inzichtelijk. Wat in 1960 begint met een paar rode puntjes in de Randstad, is tegen 2020 een palet van rode vlekken, die staan voor verstedelijkt gebied. “Deze olievlek, dit gezwel, willen we dat zo door laten gaan, of roepen we het een halt toe?”

Nederland heeft niet één megametropool, maar een polycentrische netwerk van tientallen kleinere steden. Nergens hoef je veel langer dan een kwartier te fietsen om te kunnen genieten van een groene omgeving. Het is uniek voor Nederland en goed voor het vestigingsklimaat, zegt Dijksterhuis. “Ik had laatst een Chinese delegatie op bezoek. Ze gingen naar steden als Delft en Gouda en waren stikjaloers: ‘Hebben jullie veertig van dit soort steden?!’ Die leefkwaliteit is ongekend.”

Verder bouwen aan de randen van de stad is geen optie als we die kwaliteit willen behouden. Bij het bouwen van de miljoen huizen die we tot 2040 nodig hebben, kunnen we het best focussen op bestaand stedelijk gebied. “En ja, dat past”, zegt Paul Gerretsen van de Vereniging Deltametropool, die onderzoek deed in Zuid-Holland, en op andere plekken in Nederland in twee proefgebieden van één bij één kilometer. Op hoge, grauwe woontorens, zoals in Hongkong, zit niemand te wachten? Maar hoe dan wel?

Het zoeken is naar een geschikt model voor de compacte stad. “Dat begint op het niveau van de wijk”, zegt Dijksterhuis. “Waar alles samenkomt en begint: de Wijk van de Toekomst.” De huizen hebben er zonnepanelen op het dak en buren delen samen een tuin. De wijk is aardgasvrij en afval bestaat niet meer, want in 2050 is Nederland helemaal circulair. De auto staat niet voor de deur, want wonen, werken en ondernemen vindt steeds meer plaats binnen de wijk. En iedere wijk heeft zijn eigen identiteit, met een gemengde bevolking – buurten voor louter hoogopgeleide tweeverdieners willen we niet meer.

 

Randstadbril

Het verhaal van de compacte stad klinkt als een duidelijke visie. Toch wordt het in Leeuwarden niet met gejuich ontvangen, blijkt na een ‘roddelsessie’, waarbij het publiek in kleine groepjes kritiek mag geven op de presentaties van Dijksterhuis en Gerretsen. “In het Noorden zijn we veel ruimte gewend. Compact kennen we hier niet. Is dat echt nodig?” vraagt de zaal zich af. En kan het wel? Wonen en werken in dezelfde wijk klinkt leuk, maar er zijn ook vieze fabrieken die je het liefst ver weg van je huis ziet. Is verdichting van bestaand stedelijk gebied nou zo vernieuwend? Is het Rijk met deze visie niet ideologisch verblind door Randstad-centrisme?

Het is juist dit ‘hoera voor de stad’-geluid, waar hoogleraar rurale sociologie Bettina Bock tegen ageert. Hoe meer groei hoe beter, klinkt het in de grote steden. Maar in Amsterdam zie je de keerzijde: verkeer loopt vast, huizen zijn onbetaalbaar, steden worden ontoegankelijk voor lagere sociale klassen. “Als we niet oppassen creëren we een tweedeling tussen drukke, rijke, flitsende steden en trage, achterlopende periferie. Wil je carrière maken, dan moet je naar de stad. Zo zuig je jonge mensen weg van het platteland. Dat heeft volgens Bock ook te maken met de Randstadbril van beleidsmakers. “Sommige maatregelen pakken op het platteland anders uit dan in de stad. Investeren in de kwaliteit van ziekenhuizen is mooi, maar tien internisten op de intensive care, dat krijg je echt niet voor elkaar in een streekziekenhuis.” Ze pleit er daarom voor de regio’s zelf de nieuwe omgevingsvisie mee te laten vormgeven.

 

Vertrouwen in bewoners

De burger zelf moeten we ook niet vergeten, zegt Adri Duivesteijn, oud-wethouder in Den Haag en Almere. “We praten veel over hoe we de Wijk van de Toekomst van bovenaf willen vormgeven, maar bewoners hebben daar zelf ook opvattingen over.” Neem de Amsterdamse grachtengordel. In de zeventiende eeuw van achter de tekentafel gepland, maar toch is ieder huis anders. Duivesteijn paste dat idee als wethouder toe in het Almeerse Homeruskwartier, waar geen huis hetzelfde is. Ook aan de Oostkant van Almere, in het project Oosterwold, krijgen bewoners alle ruimte om zelf hun wijk vorm te geven.

Dat vraagt wel om een andere aanpak. “Stedenbouwers en projectontwikkelaars neigen naar orde en netheid. Ze zijn niet wezenlijk geïnteresseerd in diversiteit of identiteit”, zegt Duivesteijn. “Het Homeruskwartier en Oosterwold laten zien dat we ook op een andere manier kunnen verstedelijken dan we sinds de Tweede Wereldoorlog doen. We hebben te weinig vertrouwen in mensen.”

Toch kunnen projectontwikkelaars soms ook iets magisch doen, zegt Maarten Hajer. Hij haalt het voorbeeld aan van de achterstandswijk Regent Park in Toronto, de niet alleen grondig wordt verbeterd en opgewaardeerd, maar waar de oorspronkelijke bewoners ook de garantie hebben dat ze een nieuwe, duurzame woning mogen betrekken voor dezelfde huurprijs: the right to return. Met het geld dat vrijkwam door is de wijk duurzamer én leefbaarder gemaakt. “De verstedelijkingsagenda gaat om veel meer dan alleen aardgasvrij maken”, zegt Hajer. “In een wijk als Regent Park kun je de toekomst al bezoeken. We moeten meer eisen stellen aan de kwaliteit van onze Wijken van de Toekomst. We moeten duidelijk laten zien welke voorbeelden er al zijn om ons aan te laven. Niet alleen de plaatjes, maar ook een verhaal over waarom en onder welke voorwaarden het werkt.”

 

Groningen is geen ‘probleem’

Terug naar de beginvraag. Hoe zorgen we ervoor dat er in 2040 genoeg duurzame huizen zijn in leefbare wijken? Willen we onze historische steden behouden, dan moeten we ze niet langzaam naar elkaar toe bouwen. We willen het verschil tussen stad en ommelanden behouden. Verdichting van de bestaande stad is de visie. Maar in de strategische uitwerking moeten we het verschil tussen stad en platteland niet overdrijven, zegt Bettina Bock. “Ik weiger om Groningen te zien als een ‘probleem’ dat moet worden opgelost. Het is niet een leeg gebied, er gebeurt van alles. Hele dorpen die klimaatneutraal worden bijvoorbeeld. Om grote problemen te tackelen, moeten we niet alleen naar de stad kijken. Groningen en Limburg zijn niet ver weg. En het land houdt ook niet op achter de grens.”

En laten we vooral niet vergeten dat de problemen urgent zijn, zegt Paul Gerretsen van Vereniging Deltametropool. “We staan aan de vooravond van de opgave om de energievoorziening helemaal anders te doen. We hebben een serieus biodiversiteitsprobleem. We hebben alles kapot gemaakt. Het land zakt door z’n hoeven. We moeten de urgentie echt van de daken schreeuwen.”


nl
en