University of Hope #5: Verstedelijking


20/09/2018

Aardgasvrij maken is pas een eerste stap op weg naar de Wijk van de Toekomst

Hoe ziet de Wijk van de Toekomst eruit? Alleen klimaatneutraal of ook duurzamer, mooier, gezonder en leefbaarder? En wie beslissen mee over de Wijk van de Toekomst? Deze vragen stonden centraal tijdens de vijfde University of Hope-bijeenkomst in de Kanselarij in Leeuwarden op 13 september 2018.

Als we aan verstedelijking denken zijn we geneigd aan spiksplinternieuwe wijken te denken, waar aardgasvrije woningen worden neergezet met zonnepanelen op het dak, waar afval wordt gescheiden en hergebruikt, waar deelauto’s netjes buiten de wijk geparkeerd staan, en waar bewoners gezamenlijk de groene binnentuinen beheren.

Een mooi beeld, maar het gaat voorbij aan het feit dat de meeste van de één miljoen nieuwe woningen die tot 2035 moeten worden gebouwd, vooral in bestaand stedelijk gebied komen. De tijd van grootschalige Vinexwijken in de polder bouwen is immers voorbij. De Wijken van de Toekomst komen op voormalige industrie- en bedrijventerreinen te staan, denk aan de Brinckhorst in Den Haag of het Kadekwartier in Leeuwarden.

En belangrijker nog: ook bestaande wijken moeten toekomstbestendig worden als we geen tweedeling willen in de samenleving tussen hippe bakfietswijken met een industrieel randje, en achtergebleven jaren zestig- en zeventigwijken, zegt hoogleraar Maarten Hajer van de Urban Futures Studio van de Universiteit Utrecht. Geen schone lei dus, en dat maakt de opgave van deze toekomstige wijken complex.

Op de fiets met bewoners

Zo vertelt Leon Borlée, stedenbouwkundige van de gemeente Utrecht, dat mensen niet staan te springen als je ze vertelt dat hun wijk moet verdichten. Borlée is betrokken bij de ontwikkeling van de Merwede Kanaalzone waar nu 1.500 woningen staan op zestig hectare, maar waar negenduizend woningen bij moeten komen. “Dat is een hogere dichtheid dan op het Java-eiland of het Westerdok in Amsterdam.”

De huidige bewoners vrezen massale nieuwbouw en maken zich zorgen over de nieuwe bruggen die voor meer verkeer zullen zorgen. Borlée zet bewoners niet weg als lastige nimby-tegenkracht (‘not in my backyard’), maar nodigt ze uit om mee te praten en te denken over hun leefomgeving. De ‘deliberatieve democratie’, noemt Hajer dat. “Je wilt juist dat bewoners meedenken en dat mensen zeggen: ‘Ja als het zo kan, dan wil ik het ook’.”

De toekomst ervaarbaar maken is daarbij een belangrijk instrument. Zo kreeg de wijk Bezuidenhout in Den Haag in de zomer van 2017 een tijdelijk grasveldje, vertelt Hajer. Bewoners waren van tevoren bang dat het verlies van parkeerplekken problemen zou geven, maar na die zomer wilden ze graag dat het groen bleef.

Exit betonbouw

Voor Places of Hope deed Thijs van Spaandonk van bureau Bright samen met de Urban Futures Studio en bureau Must onderzoek naar de Wijk van de Toekomst. De resultaten van dat onderzoek zijn in de tentoonstelling in Leeuwarden te zien. De opgaven zijn meervoudig en complex, zegt Van Spaandonk. In de Wijk van de Toekomst komen alle opgaven samen: “De energietransitie, verdichting, de klimaatopgave, een inclusieve stad en verandering van mobiliteit. De wijk is het schaalniveau waarop je deze opgaven kunt aanpakken.” De grootste vraag is volgens hem hoe we het gaan doen. Onze bestaande wijken zijn slecht ingesteld op verandering. Alles ligt vast in beton en bestemmingsplannen.

De meeste kansen voor verandering liggen, volgens het onderzoek, op bedrijventerreinen en spoorwegemplacementen, en in de jaren zestig- en zeventigwijken die verdicht kunnen worden. Ook valt er nog een hoop winst te halen in bouwmaterialen, zegt Van Spaandonk. Cement en staal hebben de hoogste CO2-uitstoot. Stel dat je die één miljoen woningen in hout zou bouwen, dan kom je al aan het doel van 3,4 megaton CO2-besparing per jaar door verduurzaming van gebouwen.

Woonwensen in kaart brengen

Maar de opgaven van de Wijk van de Toekomst zijn eigenlijk nog complexer, volgens de aanwezigen in het atrium, een groep ontwikkelaars, medewerkers van woningcorporaties en kennisinstellingen, en gemeente-, provincie- en rijksambtenaren. “Je moet bewoners erbij betrekken en hun woonwensen in kaart brengen,” zegt een ambtenaar van de provincie Friesland. “Wil iedereen wel hutje mutje in de stad wonen, of riskeren we daarmee op termijn weer een vlucht uit de stad?”

We moeten ook rekening houden met demografische ontwikkelingen, zoals vergrijzing en krimp. Nederland groeit nu eigenlijk alleen dankzij migratie. Als die afneemt kunnen we een krimpland worden net als Japan, zegt Robert Dijksterhuis van het ministerie van Binnenlandse Zaken. En volgens Hans van der Werf, directeur van de Friese Milieufederatie, moeten we weer natuurinclusief leren bouwen. Samen met de provincie Fryslân neemt hij deel aan een Omgevingslab gebiedsontwikkeling 2.0, een initiatief dat actief aan de slag is met de Omgevingswet en dat “aan de voorkant creatief en integraal meedenkt”. Van der Werf kreeg er ter plekke de aanmoedigingsprijs “Project met stip” van het Ministerie van BZK voor uitgereikt.

Samenwerken in nieuwe allianties

Het is een voorbeeld van nieuwe allianties smeden. Want met wie ga je die wijken van de toekomst maken? Niet alleen met overheden en ontwikkelaars, energieleveranciers moeten er bijvoorbeeld ook bij betrokken worden. “Nu zijn onze wijken vaak opgebouwd rondom infrastructuur, maar in de toekomst zal dat misschien wel rondom energie worden,” zegt Maurice Wenker, ruimtelijk ontwerper uit Drenthe. Maar je kunt ook ontwikkelaars en woningcorporaties bezit en grond laten ruilen, zodat ontwikkelaars in wijken met een hoog percentage sociale huur woningen voor hogere inkomens kunnen bouwen, en corporaties er op andere plekken betaalbare woningen voor terug kunnen bouwen, zegt Leon Borlée.

Bewoners moeten hoe dan ook meer zeggenschap krijgen. Het gaat deze middag veel over verplichtingen van bovenaf: we moeten minder autorijden, minder energie verbruiken, minder vlees eten. Maar wat willen bewoners eigenlijk? Op de zogeheten NPD-strook in Overvecht komen drie nieuwe woontorens, voor starters, studenten en senioren. In samenspraak met de ontwikkelaar krijgen de bewoners de zeggenschap over een forse ruimte op de begane grond van een van de torens die ze voor vijftig euro per vierkante meter per jaar huren. Op de begane grond in de nieuwe studententoren komt ook ruimte voor ontmoeting en experiment.

Al doende leert men

Opgaven koppelen, dat is iets waar ze in Leeuwarden van alles af weten. Met de Water Campus en de Dairy Campus profileert Leeuwarden zich bijvoorbeeld met kennis over water en melk, “twee onderwerpen die de Friezen in de genen zitten”, zegt Peter Luimstra, strategisch adviseur bij de gemeente. “Er werken nu 260 mensen en de sector is groeiende.” Na tweehonderd jaar keert een universiteit terug naar Friesland: de campus Fryslân van de Rijksuniversiteit Groningen opent begin 2019 in het oude Beursgebouw, hartje stad. Leeuwarden wil zo kennis, cultuur, innovatie en gemeenschap koppelen om de stad vooruit te brengen.

De echte uitdaging van de Wijk van de Toekomst is dan ook om meerdere opgaven te koppelen, om wijken niet alleen duurzamer te bouwen en de CO2-uitstoot te beperken, maar ook om meer werkgelegenheid te creëren, ruimte voor ontspanning, beweging en ontmoeting te bieden, en nieuwe vormen van mobiliteit te stimuleren.

Daarvoor moet je in brede allianties samenwerken, en dat is ook een kwestie van “willen”, concluderen de aanwezigen, van elkaar opzoeken in stadscafés, initiatievenmarkten en andere soft spaces en dan gewoon aan de slag gaan met elkaar. Of je het nu proeftuinen, living labs of ontwerpend onderzoek noemt, de Wijk van de Toekomst krijgt al doende vorm.



nl
en