University of Hope #2: De toekomst van het veen: ‘weerbaarder, guller, attractiever’


06/06/2018

Tijdens een drukbezochte University of Hope op 25 mei in de Kanselarij in Leeuwarden is een nieuwe toekomst voor het veenweidegebied besproken. Een houdbaar watersysteem, natuur en landbouw kunnen wel degelijk samen gaan.

“Als we niks doen dan is aan het einde van deze eeuw het veen weg.” Peter de Ruyter zet de zaken meteen op scherp. Als hoofdontwerper van het Places of Hope-atelier over de toekomst van het veenweidegebied spreekt hij een zaal vol beleidsmakers, onderzoekers, boeren, ondernemers en bewoners toe in de tentoonstelling in Leeuwarden.

In heldere taal legt De Ruyter uit dat het veen nergens zo drooggelegd is als in Friesland. Dat was jarenlang goed voor de landbouw, maar het levert ook problemen op: de bodem daalt, huizen verzakken, er komt veel CO2 vrij, het landschap wordt steeds schraler, de biodiversiteit verdwijnt, er is niet genoeg ruimte voor waterberging, en naarmate de zeespiegel stijgt en de grondwaterstand daalt, treedt verzilting toe.

De Ruyter vat het zo samen: “Veenbodemdaling en klimaatverandering vragen om een systeemverandering. We staan voor een grote verandering, wat kunnen we doen?”

Dat is de vraag die het Places of Hope-atelier ‘Nieuwe ruimte voor het veen in het Lage Midden van Fryslân’ heeft gesteld. Een gezamenlijke opdracht van het Rijk, Wetterskip Fryslân, de gemeente Leeuwarden, de provincie Fryslân, Staatbosbeheer, het Kadaster en het Planbureau voor de Leefomgeving, onder leiding van ateliermeester Jandirk Hoekstra (H+N+S Land).

Het goede nieuws is dat er oplossingen zijn voor de complexe problemen in het veenweidegebied. En die oplossingen zijn nog aantrekkelijk ook. Bij een hogere grondwaterstand en met brede boezems kan het landschap weer natuurlijker worden, de CO2-uitstoot wordt beperkt, verzakking van huizen tegengegaan, en er komt meer ruimte voor recreatie. Maar hoe zit het dan met de boeren, vraag u zich af?  

Nieuwe verdienmodellen

Landschapsontwerper Paul Plambeck legt uit dat het atelier vier nieuwe verdienmodellen heeft onderzocht voor melkveeboeren. De grond wordt natter, dus de beplanting moet daarop aangepast worden, denk aan algen, lisdodde en riet als bron van energie, of het eiwitrijke kroosvaren, goed voer voor de koe.

Op nattere grond zal de veestapel inkrimpen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat boeren er financieel op achteruit gaan. De boeren hoeven bijvoorbeeld geen krachtvoer in te kopen, dat verbouwen ze voortaan zelf. Ook het mestoverschot, jaarlijks een forse kostenpost, neemt af. De mest kunnen ze voortaan over het eigen land uitrijden. Alle vier de opties die het atelier doorrekenden leveren de boer tussen de €58.000 en €61.000 per jaar aan inkomsten op.

Biologische melkveehouder Marten Dijkstra uit Aldeboarn reageert positief op dit verhaal: “Ik ben van het wenkend perspectief. Ontwikkel een goed bedrijfsmodel, dan volgen andere boeren wel.” Hij legt uit dat boeren nu nog vaak ‘gevangen in het systeem zitten’, ze boeren op een intensieve manier met hoge bedrijfskosten, veel manuren en lage opbrengsten.  “Het atelier helpt ons om out of the box te denken.” Hij pleit er wel voor dat de overheid een langetermijnvisie ontwikkelt: “Denk in termijnen van minimaal dertig jaar. Hoe kunnen we het veen zo goed mogelijk behouden voor volgende generaties? Daar werken wij als boeren graag aan mee.”

‘Soft spaces’

De aanwezigen reageren unaniem positief op de uitkomsten van het atelier, inclusief Wetterskip Fryslân en de provincie Fryslân die met deze uitkomsten de huidige Veenweidevisie 2015 willen verrijken. Maar dan komt het moeilijke gedeelte: hoe ga je dit realiseren?

Places of Hope curator Maarten Hajer pleit voor het rustig doorgeven van de atelieruitkomsten in wat hij noemt “de soft spaces”: niet aan de bestuurstafels, maar trek erop uit, praat met betrokkenen. “Dit atelier is een eerste bouwsteen, koester het en blijf het doorgeven. Ga terug naar de stakeholders, herkennen zij de oplossingen? Hebben we iedereen erbij betrokken? De valkuil is dat je het met een groepje eens wordt ten koste van een ander groepje.”

Van atelier naar actie

Het mooie van de oplossingen die het atelier aandraagt is dat ze niet alleen over het watersysteem in het veenweidegebied gaan, of alleen over klimaatverandering, maar dat het ook over landschap en natuur gaat, over cultuurhistorie, over Friese trots, en dus zelfs over emotie. “Gebruik verbeelding. Zorg dat mensen zin hebben in de toekomst. Denk niet vanuit problemen, maar vanuit positieve gedachten en bied perspectief,” vat een gespreksleider het samen.

Maar dat vraagt ook lef van bestuurders om samen te werken en in te durven grijpen. Rijk en provincie moeten sturen, maar ook ruimte laten voor innovatieve oplossingen. Het waterschap en de provincie spreken ter plekke af dat ze een tour gaan organiseren door het gebied en de resultaten gaan delen met betrokkenen.

Het Rijk kan de atelieraanbevelingen meenemen in de nieuwe Landbouwvisie die minister Carola Schouten binnenkort presenteert, maar ook in de Nationale Omgevingsvisie die in september op hoofdlijnen wordt gepresenteerd. Volgens aanwezigen moet de veenweideproblematiek ook besproken worden bij de diverse ‘klimaattafels’ in aanloop naar de nieuwe Klimaatwet en kan het gekoppeld worden aan het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Sommige aanwezigen pleiten zelfs voor een nieuw Deltaprogramma Veenweidegebied. In oktober wordt er bij Places of Hope een terugkomdag te georganiseerd om te kijken hoe de nieuwe toekomst van het veenweidegebied verder vorm krijgt.




nl
en